Uit Sportweek nr 20 - 15 mei 2007

De strijd is voor Michael Boogerd gestreden 

‘Ik heb geen zin om me weer te ergeren’ 

Het zijn de laatste maanden. Omdat zijn lichaam na al die wielerjaren tegenspartelt. Maar er is meer. Een zelfkritische Michael Boogerd (34) legt uit.

Door Manon Colson 

Dit was het dan. Je laatste voorjaar. Kun je nog één keer vertellen waarom je stopt? Je deed immers in drie van de vier voorjaarsklassiekers mee in de finale.
“Ik draaide in Luik-Bastenaken-Luik de Stockeu op, keek naar beneden en zag die jongens achter me met vertrokken gezichten op het lint zitten en dacht: ‘Stel dat je daar over een jaar of twee jaar als Michael Boogerd zou zitten’. Dat lijkt me zó erg!”

Echt?
“Ja, serieus. Ik dacht ook: dan zit ik daar en hoor ik van dezelfde mensen die me nu als eerste renner voorbij zien komen aanmoedigingen als ‘Kom op Mikey, je kunt het nog!’ Dat past niet bij mij, dat wil ik niet. Ik kijk niet neer op de jongens die daar zitten, maar ik wil niet meemaken dat ik niet bepalend kan zijn in zo’n koers. Daar sport ik niet voor. Ik kan niet meer die stap terug maken.”

En dat moment wil je voor zijn.
“Ja. Ik kan nog meedoen, kan die koersen winnen. Maar wat ik altijd graag heb gewild, daarvan merk ik dat het een beetje aan het afvlakken is. Echt het verschil kunnen maken. Vanaf 2003 ben ik in Luik elk jaar op Saint-Nicolas alleen weggereden. Kon niemand me volgen. Dit jaar ging ik en zaten er zes man in mijn wiel. Dat zegt genoeg.”

Kun je niet gewoon een mindere dag hebben gehad?
“Michael Boogerd kan geen mindere dag hebben in Luik! Dat bestaat niet. Ik heb in de afgelopen tien jaar géén slechte dag gehad in de Amstel Gold Race of in Luik. Behalve dan die ene keer in Luik, in 2000, toen was ik in de Catalaanse Week gevallen. Maar ik reed niet eens slecht, werd zeventiende. Hetzelfde geldt voor het wereldkampioenschap. Sinds 1998 heb ik nooit een slecht WK gereden. “Excuses tellen voor mij niet in dat soort koersen. Zelfs een valpartij niet, of een lekke band. Als je van jezelf weet: ik moet die wedstrijd goed zijn, dan kán je niet slecht zijn. Of je moet ziek zijn. Maar als je gezond bent, je in trainingen goed voelt?”

Jíj kunt dan niet slecht zijn.
“Nee, niemand! Ben je toch slecht, dan heb je iets verkeerd gedaan. Dan schort er misschien mentaal iets. Als jij weet dat je er alles aan hebt gedaan, en je weet dat je goed bent geweest in het verleden met diezelfde wedstrijdvoorbereiding? Pieken is helemaal niet moeilijk! Men dóet er altijd moeilijk over, er wordt heel schimmig over gedaan. Tuurlijk, super zijn kun je niet plannen. Dan moet alles meezitten. Maar topvorm kun je plannen.”

Dus topsport is eigenlijk heel makkelijk.
“Ja! Nou…mentaal is het moeilijk. Maar als ik in de winter niks tegenkwam, niet geblesseerd raakte, dan was ik in de Ronde van de Middelandse Zee of op Mallorca goed. Je moet voor je sport leven en de dingen doen die je moet doen.”

Jij noemt het gewoon, maar dat is het waarschijnlijk voor veel mensen niet.
“Voor mij is het normaal. Ik weet dat ik voor de Amstel een bepaalde arbeid moet verrichten. En ik weet dat anderen dat niet op kunnen brengen. Die arbeid verrichten, dát is moeilijk. Maar ik weet: áls ik het doe, krijg ik de beloning in de wedstrijden.”

Als het zo ligt, zou ik zeggen: ga nog een jaar door!
“Jahaa…Maar het is niet makkelijk!”

Maar zoals jij het nu vertelt, denk ik: deze man heeft het onder controle!
“Ik kán het nu nog onder controle hebben. Het wordt al minder. Ik heb in het voorjaar trainingen moeten skippen. En als ik nog een jaar doorga, moet ik dat misschien ook met trainingen voor de Amstel doen. En dan kan ik niet meer doen wat ik wíl. “Het is niet zo dat ik makkelijk nog een seizoen zou kunnen fietsen, alleen omdat ik precies weet wat ik moet doen. Het kost mij veel moeite, zeker als ik niet lekker op mijn fiets zit, pijn in mijn poten heb. Dat is heel frustrerend, echt erg. En een van de redenen dat ik stop. Toen ik die beslissing nam, dacht ik aan die klotemomenten in december, januari, februari, maart. Toen dacht ik: ik gooi mijn fiets in de sloot en kap er gelijk mee. Want zo kan ik niet werken, zo kan ik niet doen wat ik wil. “Het is mentaal heel moeilijk om jaar in jaar uit te presteren. Wát dat precies is, kan ik niet uitleggen. Maar je voelt aan je lichaam dat het heel zwaar is. Dat is ook iets wat ik niet meer wil, wat voor mij niet meer hoeft. Er zijn dingen aan het wielrennen die ik ga missen en er zijn ook dingen die ik niet meer wil. Dan maak je een lijstje met de voor- en nadelen en dan kom je tot de conclusie: het wordt tijd.”

Wanneer begin je aan zo’n lijst?
“Afgelopen winter. Toen ik niet lekker op die fiets zat vanwege een beenblessure. Ik heb daar al een paar jaar last van. Ooit voelde ik het een week. Verleden jaar waren het vijf weken, nu waren het drie maanden. Toen heb ik tegen mezelf gezegd: ‘Je moet realistisch zijn Mike. Je bent geen zesentwintig meer. Je moet naar je lichaam luisteren.’ In februari heb ik de beslissing voor mezelf genomen. Samen met mijn vrouw Nerena.”

En toch kwam de persconferentie die je gaf in Valkenburg daags voor de Amstel Gold Race gehaast over.
“Het is geen gehaaste beslissing geweest, alleen is het gehaast bekend gemaakt. Dat wilde ik ook. Ik heb altijd gezegd dat ik mijn afscheid spontaan in me op wilde laten komen. Ik wilde het doen zoals ik ben. Ook in mijn carrière ben ik nooit dramatisch geweest over bepaalde gebeurtenissen. Dit wilde ik net zo doen. Ik wilde daar niet zitten van: ‘Dit is een heel zware beslissing voor me geweest, na al die mooie jaren, blabla.’ Nee, gewoon: klaar. Het is over. En nu: de Amstel.”

De waardering die je krijgt van het publiek, media en van het peloton is groot. Krijg je dat gevoel ook van je ploeg?
“Zeker van het personeel en ook van een aantal renners. Veel jonge renners hebben denk ik respect voor mijn carrière. Alleen, wat ik vaker heb aangegeven, de keuzes die in het verleden zijn gemaakt gaven mij wel eens een minder gevoel. Maar dat was misschien ook meer een gevoel van mij dan dat het de realiteit was. Ik weet niet altijd hoe er over me wordt gepraat.”

Hebben de onderhandelingen met Theo de Rooij nog een rol gespeeld in je beslissing? Ik kan me herinneren dat die niet altijd even soepel liepen.
“Nee, die hebben niet meegespeeld. Ze proberen het altijd, weet je. Om met een of ander argument geld in de knip te houden. Het is koehandel. Dat is overal zo. Vroeger zou ik denken: wat zegt die nou? Zou ik gelijk Nerena hebben gebeld: ‘Nou, wat ze nu over me zeggen!’ “De afgelopen twee jaar heb ik er eigenlijk om gelachen. Verleden jaar zat ik daar met Patrick Wouters, mijn zaakwaarnemer. Die zei ook: ‘Kom op Theo, ik ben zelf manager van een schaatsploeg, we zitten hier wel op één lijn te praten, hè. Die argumenten laat je maar achterwege, want je weet zelf ook dat het onzin is’. “Bood hij eerst een ander bedrag dan ik in mijn hoofd had en toen zei ik: ‘Dan gaat het niet door, Theo!’ Simpel. Zijn we opgestapt. Een paar uur later was het rond.”

Je ziet het dus als een spel.
“Ja. Verleden jaar vond ik het leuk om te spelen, want toen kon ik mijn poot stijf houden voor mijn gevoel, durfde ik dat. Ach, na afloop heb je evenveel respect voor elkaar, hoor. Ik denk dat zoiets bij andere jongens meer een rol kan spelen. Ik ben financieel altijd gewaardeerd zoals ik het zelf dacht te zien. “En dat telt. Ze kunnen je elke dag vertellen dat je de beste bent, maar als je niet financieel gewaardeerd wordt, zijn die woorden ook maar gebakken lucht. Dus ja, ik denk dat ik voldoende gewaardeerd wordt. Dat moet haast wel. Ik heb er altijd gestaan voor de ploeg, heb ze nooit in de steek gelaten.”

Alleen zei je net dat je dat ook wel eens anders hebt gevoeld.
“Ja, maar ik ben er nu ook achter dat iedereen anders is. Erik Breukink zei onlangs dat ik moeite heb met de mentaliteit van sommigen, omdat ik verwacht dat iedereen zo hard en streng voor zichzelf is zoals ik dat ben. Daar heeft hij honderd procent gelijk in. Ik kan moeilijk accepteren dat een ander anders is in zijn wielerbeleving. Ben gewoon niet zo ruimdenkend dat ik me inleef in een ander. Daar heb ik geen tijd voor en geen zin in. Als het gaat om wielrennen heb ik het idee dat ik het goed doe. Misschien niet in het afmaken of het sprinten, maar in de beleving. En daarin duld ik geen tegenspraak. “Dus verwachtte ik van anderen dat ze zich, zoals ik dat ook heb gedaan, volledig in dienst zouden stellen van mij. Wat ik verleden jaar voor Denis Menchov heb gedaan in de Tour de France tijdens de rit naar Pla de Beret die hij wint… Als iemand dat voor mij doet, zou ik een schuldgevoel hebben. Had ik staan springen om een keer hetzelfde terug te doen. “Maar één keer, in de Brabantse Pijl van 2003 met Oscar Freire, heb ik er van geprofiteerd dat ik in de finale zat met een ploeggenoot. Buiten het feit dat ik altijd renners als Jan Boven, Marc Wauters, Steven De Jongh, en verleden jaar Erik Dekker heb gehad die voor me op kop reden, heb ik op beslissende momenten in de koers niemand gehad. “Met twee man in de finale kunnen gokken, zoals vroeger Bettini en Bartoli, Zülle en Jalabert, of Schumacher en Rebellin in de Amstel van dit jaar; zoiets heb ik nooit meegemaakt. Dat is eigenlijk het enige dat jammer is aan mijn carrière, vind ik. Want ik had veel meer koersen kunnen winnen als ik wél in die situatie had gezeten. “Maar ik kijk er niemand op aan, heb er geen rotgevoel over, kan met iedereen goed door een deur en dat zal ik ook blijven doen. Niet iedereen denkt zoals ik. En jongens die niet zo denken, zijn heus geen klootzakken. Zo zitten mensen gewoon in elkaar. Het is meer dat ik het zélf jammer vind ik dat ik nooit een Michael Boogerd naast me heb gehad.”

Heeft die conclusie invloed gehad op de beslissing om te stoppen?
“Je hoopt altijd dat het tóch een keer gaat gebeuren. Jaar in jaar uit heb je dan de teleurstelling dat het niet zo is. Nogmaals: ik ben niet boos op iemand, ik constateer gewoon dat iets niet gebeurt. Op een gegeven moment weet je dat het niet meer gaat gebeuren. En dat de kans dat jij wéér zo goed bent elk jaar kleiner wordt! Bovendien voel je dat dadelijk alles ineens heel stiekem kan omdraaien naar een andere situatie waarin ík weer degene ben die voor een ander daar staat. “Dus ja, het heeft meegespeeld in mijn beslissing. Want je weet: het gaat toch niet meer gebeuren. En ik heb geen zin om me er weer aan te ergeren, om het hardop te zeggen in de pers… Dat is het allemaal niet waard.”

Een vertrek naar een andere ploeg is nooit een optie geweest?
“Nee, nee. Ik word 35 jaar!”

Ik denk dat ze je best nog ergens willen hebben.
“Dat denk ik ook. Maar begrijp me goed: ik ben niet boos, niet gefrustreerd. Dit is niet de reden dat ik stop.”

Nee, maar je zegt net zelf: het is het enige dat jammer is aan je carrière.
“Klopt. Maar weet je, om je heen slaan is makkelijk. Ik had zélf die stap moeten zetten. Had zelf naar dat soort renners moeten zoeken, had assertiever moeten zijn. Ik had renners er mee kunnen confronteren, de leiding. ‘Luister eens, ik heb dat en dat gedaan, waarom gebeurt dat niet voor mij? Spreek diegene daar eens op aan.’ Dat heb ik niet gedaan, dus kan ik mezelf ook wat verwijten. Simpel.”

Waarom heb je het eigenlijk niet gedaan?
“Weet ik niet. Misschien ben ik er te lief voor. Wil ik conflicten uit de weg gaan. Er zal wel iets zijn, anders had ik het wel gedaan!”

Ik vind jou nou niet bepaald te lief.
“Nee, goed, ik kan wel eens uit mijn slof schieten. Maar aan de andere kant kan ik begrijpen dat een renner die er alles voor doet graag een korte klassering wil rijden. Denk ik: nou ja, laat maar. En ik denk snel: het gebeurt toch niet, ook al begin ik er over. Bovendien wil ik niet dat er gedoe komt. Daarom ben ik er een beetje gelaten in.”

Je wilt dat iedereen je aardig vindt.
“Misschien. Dat vindt iedereen leuk. Maar dat hóeft heus niet. Alleen, op die momenten heb ik gewoon geen zin om er woorden aan vuil te maken. Want ik denk dat het weinig uithaalt. Anders was het al gebeurd, denk ik. Was het vanuit die renner zelf gekomen. Bij mij hoeft ook niemand te zeggen: ‘Denk er aan, jij gaat voor die renner rijden’.”

Hoe moet het nu verder zonder jou? Wij maken ons zorgen als we de uitslagen en ranglijsten van de laatste seizoenen er bij pakken. Daarop prijkt van alle Nederlandse renners zowat alleen jouw naam.
“Is toch alleen maar mooi? Ik ben ook geen gewone! Maar er zijn genoeg goede renners. Thomas Dekker, Robert Gesink, Kai Reus. En zo zullen er nog een paar zijn. Of er échte toppers tussen zitten, kan ik niet voorspellen. Dat verschil wordt in je hoofd gemaakt. Dat ga je niet uit trainingen halen, uit opleiding. Bij de besten van de wereld horen, moet je zelf bewerkstelligen. Dat gaat niemand voor je doen. Het is afwachten. En dat ga ik met veel plezier doen.”

Michael Boogerd over… 

De opvolger
“Ik vind niet dat je in termen van ‘de opvolger’ mag spreken. Je hebt ook renners als Rick Flens nodig, Mathieu Heijboer, Stef Clement. Dat zijn allemaal hartstikke goede renners, die een goede carrière tegemoet gaan. Zij worden gewoon goede, degelijke profs en gaan een goede boterham verdienen. Ze moeten niet op de huid gezeten worden met dingen als de ‘opvolging van’.”

Zijn biografie
“Het boek komt zo rond mijn afscheid uit. Ik denk dat mensen de Michael Boogerd gaan zien zoals hij daadwerkelijk is. Anders dan dat ze me nu zien. Ik denk dat het een mooi, chique boek gaat worden. Er zullen ook een paar leuke anekdotes in staan die je niet zo snel verwacht, dingen die eigenlijk niet met mijn profcarrière te maken hebben, maar meer met mij persoonlijk.”

Vermoeidheid
“Normaal kom ik ’s avonds thuis van de Amstel en drink ik standaard een Triple’tje op de bank. Mijn vrouw Nerena zit dan meestal uitgeput naast me: ‘Gaan we alsjeblieft slapen?’ En ik zit tot twee uur ’s nachts naar de tv te kijken. Sport, weet ik het wat, herhalingen. Ik kan gewoon niet slapen. En nu? We waren om 22.15 uur thuis en vijf minuten later lag ik in bed. Helemaal verrot. Merk je pas hoe zo’n week op je psyche werkt.”


Terug naar nieuwspagina

© Copyright Michael Boogerd Fan Club Internet - www.michaelboogerd.nl